Nutteloze kosten zijn ten laste van de partij die ze foutief veroorzaakt

woensdag, juli 11, 2018 - 11:45

Het Grondwettelijk Hof heeft zich op 28 juni 2018 uitgesproken over een beroep, ingesteld door de Orde van Vlaamse balies, tot vernietiging van artikel 81 van de wet van 25 december 2016 tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie. De bestreden bepaling wijzigde artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld in de kosten wordt verwezen. De toegebrachte wijziging vult aan dat de nutteloze kosten ten laste van de andere partij kunnen gelegd worden als zij die foutief heeft veroorzaakt.  

Het beroep werd ingediend op basis van een vermeende schending van de Grondwet:

  • het recht op toegang tot de rechter van de in het gelijk gestelde partij zou beperkt worden
  • wat betreft de IOS-procedure, zou een niet-verantwoord verschil in behandeling bestaan tussen de schuldeisers van een betwiste geldschuld en de schuldeisers van een klaarblijkelijk onbetwiste geldschuld, waarbij deze laatsten het financiële risico voor de kosten van het geding zouden moeten dragen en over een beperkter recht op toegang tot de rechter zouden beschikken.

Het Hof oordeelde als volgt:

Het recht op toegang tot de rechter kan het voorwerp uitmaken van beperkingen voor zover deze een wettig en evenredig doel nastreven. De regeling om nutteloze kosten ten laste te leggen van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt, vloeit voort uit de verplichting tot loyaliteit tussen procespartijen. Een dergelijke regeling vormt geen onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter van de in het gelijk gestelde partij. Enkel de nutteloze gerechtskosten die ze foutief heeft veroorzaakt, worden haar ten laste gelegd. Het komt aan de rechter toe om na te gaan of er bij een procespartij effectief sprake is van een fout die in causaal verband staat met nutteloos geachte proceskosten. De rechter kan aldus ambtshalve een (gemotiveerde) beslissing nemen om foutief gemaakte kosten ten laste te leggen van de partij die ze heeft veroorzaakt. Hij blijft wel gehouden om de partijen, met respect voor de rechten van verdediging, in de gelegenheid te stellen zich over het al dan niet foutief karakter van de nutteloze kosten uit te spreken. 

De kritiek van de verzoekende partijen heeft ook betrekking op de specifieke gevolgen die de bestreden bepaling zou hebben voor de procedure voor de invordering van onbetwiste geldschulden (artikelen 1394/20 tot 1394/27 van het Gerechtelijk Wetboek). Het loutere feit dat een schuldeiser van een onbetwiste geldschuld ervoor kiest om geen gebruik te maken van de administratieve procedure tot het invorderen van de schuld, maakt op zich geen fout uit (zie Cassatiearrest van 12 oktober 2017: https://www.gerechtsdeurwaarders.be/sam-tes/parlementaire-vraag-nutteloze-kosten-ios-procedure) . Er dient vast te staan dat een normaal voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden anders zou hebben gehandeld, wat door de rechter geval per geval moet worden onderzocht en gemotiveerd. 

Het Grondwettelijk Hof concludeerde dan ook dat de bestreden bepaling geen schending inhoudt van de Grondwet.

Dit arrest werd op 9 juli 2018 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.