Reactie van de NKGB op het artikel in De Tijd

zaterdag, februari 13, 2021 - 07:00

Reactie van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders (NKGB) op het artikel in De Tijd van 13 februari 2021

 “Deze praktijken weerspiegelen ons beroep van gerechtsdeurwaarder op geen enkele manier”. 

De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders (NKGB) tilt bijzonder zwaar aan de feiten. “Dergelijke praktijken besmeuren de integriteit van de ganse beroepsgroep. We putten al onze wettelijke mogelijkheden uit om dergelijke wanpraktijken uit het beroep te bannen”.  

“Gerechtsdeurwaarders moeten zich onberispelijk gedragen. Elke inbreuk hierop is er één te veel. Het is bovendien een slag in het gezicht van alle collega’s die elke dag hun moeilijke en vaak ondankbare taak wél in eer en geweten uitoefenen.”  

Wat de feiten aangebracht in het artikel van De Tijd betreft, kunnen we mededelen dat de gerechtsdeurwaarder in kwestie reeds gevat werd in een aantal tuchtprocedures. Gezien de ernst van de feiten werd er telkens doorverwezen naar één van de vijf tuchtcommissies, die onder leiding van een onafhankelijke magistraat en bestaande uit leden van buiten de beroepsgroep aangevuld met twee gerechtsdeurwaarders, zich uitspreekt over tuchtzaken. Er kunnen boetes tot 25.000 euro en andere straffen worden uitgesproken, waaronder de afzetting van de gerechtsdeurwaarder.  

Specifiek wat deze gerechtsdeurwaarder aangaat, werden tuchtsancties uitgesproken. In één geval heeft de tuchtcommissie het dossier doorverwezen naar de rechtbank van eerste aanleg en heeft de NKGB als tussenkomende partij aan het parket gevraagd om de hoogste tuchtstraf uit te spreken tegen de betrokken gerechtsdeurwaarder. Deze procedure loopt nog vandaag. 

De NKGB dringt erop aan om elke klacht, ongeacht de aard ervan, bij haar in te dienen. Elke klacht wordt onderzocht en, indien nodig, doorverwezen naar de bevoegde tuchtcommissie. 

Voorts herhaalt de NKGB haar pleidooi om verder werk te maken van de hervorming van de wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument. De NKGB vraagt in het bijzonder om de wetgeving zodanig aan te passen dat de invorderingskost niet hoger is dan de werkelijke kost ervan. Zo kan uit het minnelijk invorderen geen financieel voordeel worden gehaald, noch door gerechtsdeurwaarders noch door andere invorderaars, zoals incassokantoren en advocaten. Wie kan hier tegen zijn?