Wetsvoorstel minnelijke invordering

woensdag, april 15, 2020 - 14:30

Rekening houdend met het advies van de Raad van State werd het wetsvoorstel nr. 0267 “houdende diverse bepalingen met betrekking tot de betaling van schulden en tot wijziging van de wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument” op 11 maart 2020 aangenomen in de commissie economie, doch moet nog gestemd worden in de plenaire vergadering.

De wet is erop gericht om de consument beter te beschermen tegen contractuele schulden t.a.v. een onderneming en dit door meer transparantie en duidelijkheid te scheppen.

De highlights:

a) Plafonnering van alle invorderingskosten, met een maximumkost van € 40 voor een schuld ≤ € 400 en waarbij gewerkt wordt via schijven, zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de contractuele verwijlinteresten, die ook wel beperkt worden. Dit bedrag houdt de kosten in van de onderneming (schuldeiser) en van de persoon belast met de minnelijke invordering.

b) De invordering verloopt in de volgende stappen:

1. De onderneming verstuurt een document met verzoek tot betaling voor de aangegeven datum. Behalve de voorziene uitzonderingen (recuperatie BTW in geval van domiciliëring) duurt de betalingstermijn normaal 20 kalenderdagen.

2. De onderneming verstuurt een eerste gratis schriftelijke herinnering.

Bij opeenvolgende prestaties heeft de consument recht op 1 gratis schriftelijke herinnering per kalenderjaar. Er wordt ook bepaald welke verplichte vermeldingen de herinnering moet bevatten.

Elke navolgende herinnering die verstuurd wordt, mag niet meer dan 5 euro kosten.

3. Minimum 10 kalenderdagen nadat de eerste herinnering werd verzonden, mag de persoon belast met de minnelijke invordering een ingebrekestelling sturen, waarvan de inhoud wettelijk bepaald is.

c) Net als de advocaten staan de gerechtsdeurwaarders onder het toezicht van de FOD Economie in het kader van hun minnelijke invorderingstaken (zonder meer details).

d) Er mag geen gebruik worden gemaakt van representatieve beroepstekens (waar er eerder verwezen werd naar de weegschaal/Vrouwe Justitia, zijn er ook hier niet meer details bepaald).

De tekst, zoals hierna meer in detail uiteengezet, werd met 9 stemmen voor en 7 onthoudingen goedgekeurd in de Commissie Economie. Er hebben geen commissieleden tegengestemd.

Een nieuwe wet “houdende diverse bepalingen met betrekking tot de betaling van schulden” zal dus het wetgevend arsenaal m.b.t. de strijd tegen de schuldenoverlast komen vervolledigen. De belangrijkste passages zijn de volgende:

  • Art. 2 en 3: Over het toepassingsgebied van deze wet is veel discussie geweest onder de parlementsleden. Uiteindelijk zal de wet van toepassing zijn op de betaling van contractuele schulden van een consument aan een bedrijf, na de verzending van een document waarin om betaling wordt gevraagd voor een bepaalde datum. Dit geldt dus zowel voor het innen van een factuur als voor het innen van een parkeerboete door bijvoorbeeld een overheidsinstantie die een economische activiteit uitoefent. Wat de begrippen "consument" en "onderneming" betreft, gaat het om de begrippen die in het economisch recht zijn opgenomen.
  • Art. 4: Met uitzondering van een machtiging van de rechter (§ 2), en behalve in het geval van een koninklijk besluit tot vaststelling van verschillende maximumbedragen (§ 4), kunnen alleen de volgende bedragen van de consument worden gevorderd:
    • § 1: een vergoeding (elk schadebeding is verboden) ter dekking van de kosten van de minnelijke invordering, ten belope van maximaal 40 euro wanneer de hoofdsom niet hoger is dan 400 euro, en berekend op basis van degressieve termijnen (10% tussen 400,01 € en 5.000,00 €, 5% tussen 5.000,01 € en 10.000 €, enz. ...) wanneer de hoofdsom hoger is. Deze kosten dienen ter dekking van de kosten van de onderneming en de derde partij die betrokken is bij de minnelijke invordering (dus ook de gerechtsdeurwaarder).
    • § 3: de laattijdigheidsintresten mogen niet hoger zijn dan de wettelijke intrestvoet verhoogd met een coëfficiënt van 10 %.
    • Art. 6: De consument beschikt over 20 dagen om zijn schuld te vereffenen.

Voor de levering van diensten en goederen, zoals omschreven in art. 1 KB van 29 december 1992 en art. 15, § 2 BTW Wetboek, geldt een kortere betalingstermijn van 8 kalenderdagen. Het betreft goederen of diensten verricht voor natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privégebruik (levering van goederen en diensten bestemd voor de oprichting van een gebouw, verkopen op afbetaling en de huurkopen, verrichtingen van verhuizing of meubelbewaring, …). Bij de levering van deze, weet de consument op voorhand hoeveel hij/zij dient te betalen. Tenslotte is er ook een kortere betalingstermijn (≤ 8 of 20 kalenderdagen) mogelijk wanneer de betaling via domiciliering zal plaatsvinden en de consument de datum van betaling van de schuld dus kan bepalen.

  • Art. 7: Bij gebrek aan betaling binnen de gestelde termijn is de onderneming verplicht om de consument vóór elke ingebrekestelling of invorderingsakte een eerste schriftelijke herinnering (op papier of elektronisch, afhankelijk van wat met de consument is overeengekomen) te sturen. De consument heeft recht op één gratis herinnering per overeenkomst en per kalenderjaar; dit om misbruik in het kader van overeenkomsten met opeenvolgende uitvoeringen, zoals bijvoorbeeld een telecomabonnement, te voorkomen. Elke andere herinnering mag niet meer dan 5 euro bedragen. De consument heeft minimaal 10 kalenderdagen de tijd om te reageren (betalen of betwisten). Tot slot moet worden opgemerkt dat de herinnering een reeks gegevens moet bevatten die in § 3 worden opgesomd.

 

Het wetsvoorstel brengt ook wijzigingen aan de wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument aan, die niettemin haar naam behoudt. De belangrijkste passages volgen hierna:

  • Art. 2, § 1: Het toepassingsgebied van de wet van 2002 blijft onveranderd.
  • Art. 2, § 2: Alle ondernemingen die minnelijk invorderen, met inbegrip van gerechtsdeurwaarders en advocaten, kunnen nu door de FOD Economie worden onderworpen aan de controle van de Economische Inspectie. Naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State is een bepaling ingevoegd om de consument in zijn vertrouwelijke relatie met de vrije beroeper doeltreffend te beschermen. Bijgevolg, bij een onderzoeksmaatregel of bij maatregel na vaststelling van een strafbaar feit ten aanzien van de vrije beroeper, kan deze alleen worden uitgevoerd in aanwezigheid van een persoon die de disciplinaire autoriteit vertegenwoordigt en die ervoor zal zorgen dat het beroepsgeheim wordt gewaarborgd (+ GDPR).
  • Art 3: De in artikel 3 bedoelde verboden gedragingen of praktijken worden, zonder verdere uitleg, aangevuld met het verbod om tekens die representatief zijn voor het beroep te gebruiken.
  • Art. 5: Dit artikel, waarover veel inkt gevloeid is, is nu eindelijk gewijzigd. De kosten en interesten die de persoon bevoegd voor de minnelijke invordering vordert van de consument, mogen niet meer bedragen dan de bedragen vermeld in titel II van de wet "houdende diverse bepalingen met betrekking tot de betaling van schulden", die hierboven werd besproken.
  • Art. 6: In overeenstemming met artikel 7 van de nieuwe wet (zie hierboven) kan er geen ingebrekestelling worden verstuurd vóór het verstrijken van de betalingstermijn die vermeld staat in de door de onderneming aan de consument verzonden herinnering. Ook moet worden opgemerkt dat de minnelijke invorderingsprocedure in bepaalde omstandigheden zal moet worden opgeschort, meer bepaald wanneer de schuldenaar een afbetalingsplan heeft aangevraagd of een verzoek om schuldbemiddeling of budgetbegeleiding heeft ingediend. Ten slotte moeten de gegevens in de ingebrekestelling worden bijgewerkt en in overeenstemming zijn met de gegevens in de eerste herinnering.
  • Art. 7: Dit artikel wordt vervangen door een bepaling die tot doel heeft elk huisbezoek in het kader van de minnelijke invordering transparanter en correcter te laten verlopen, met name door te voorzien in verschillende toelichtende documenten voor de consument.
  • Art. 7/1: Zowel de ingebrekestelling als de documenten vermeld in artikel 7 kunnen door de Koning worden vastgesteld.

Het wetsvoorstel moet, zoals gezegd, nog aangenomen worden in de plenaire vergadering.

De wet zal in werking treden de eerste dag van de 6e maand na de publicatie in het BS en zal een jaar later geëvalueerd worden.